Jouw lichaam: een huis van gebed [Joh. 2, 3-15]

‘Ik ben Ik ben, Ik zal er zijn voor jou, heb jouw naaste lief, Ik ben jouw naaste.’

Jouw lichaam: een huis van gebed   [Joh. 2, 3-15]

Het evangelieverhaal van vandaag, derde zondag van de Veertigdagentijd, over de ware tempel, volgt onmiddellijk op het verhaal over de bruiloft van Kana. Het vormt er als het ware een tweeluik mee, een tweeluik over de messiaanse tijd die met Jezus is aangebroken. De messiaanse tijd is, zegt het Kanaverhaal, één groot feest van de liefde die mensen met elkaar verbindt, liefde van góddelijke kwaliteit. Het verhaal over Jezus in de tempel van Jeruzalem dat we vandaag horen zegt dat we, als het over de tempel van God gaat, over de plaats dus waar God thuis is, dat we dan vooral niet moet denken aan gebouwen of zo, maar aan ménsen die door zó’n liefde met elkaar verbonden leven.

De tempel van Jeruzalem, dat grootse en enorme gebouw, het was eigenlijk een heel merkwaardige tempel. Er was een groot voorhof (onthoud dat woord even), met daar achter een ‘Heilige der heiligen’, het hart van de tempel, eigenlijk enkel een léég vertrek, zónder beeld of afbeelding van God, een grote en lege kast waarin de naam van God werd bewaard, om nóóit te vergeten: ‘Ik ben Ik ben, Ik zal er zijn voor jou, heb jouw naaste lief, Ik ben jouw naaste.’ Gods náám, Gods heilige en onaantastbare tederheid voor mensen. Géén bééld dus om te aanbidden en te vereren, maar enkel een gebód om te doen. En kijk dan naar Jezus: hij schenkt zijn eigen leven uit, zijn lichaam, als de wijn van Kana, helemaal, met een liefde die tot het uiterste gaat, en hij zegt zo tegen ieder van óns: ‘doe zoals ik, wees ook zélf zó’n messias-mens, laat ook jóuw mensenbestaan, jouw líchaam zo’n tempel van God zijn.

De tempel van God, wij zijn het zélf, één voor één. Tenminste: als ook wij, hoorden we, ‘een huis van gebed’ zijn. Hoe dus? Door van ons léven één groot en levenslang gebed te maken, door ons mensenleven met Gód te beleven, door lévenderwijs steeds intiemer met God te worden. Ik denk nu aan Paulus’ woorden: ‘In en door Hém, God, leven, bewegen en zijn we.’ Ons mensenleven speelt zich dus af in Gods eigen geheim. En omgekeerd: God gaat verborgen in óns mensenleven. Daarom is bidden uiteindelijk niets anders dan: ernaar verlangen om dát geheim te exploreren, meer en meer, er intiem mee en vól van raken, meer en meer gaan beseffen: het innerlijk oog waarmee ík naar Gód zie, is hetzelfde oog als waarmee Gód ziet naar míj, Gód die het léven van ons leven is, onze grote én geheime schat. En denk dán aan het woord van Jezus: ‘Waar je schat is, daar moet ook jouw hart zijn.’ Zoek God met alles van je leven, als je opstaat en naar bed gaat, als je met mensen omgaat en als je aan het eten bent, spelend, een boek lezend, muziek makend of oud wordend, zoek alles af te stemmen op Gód. Leef heel je mensenleven met God, leef het als een gebed: dan ben je levender wijs de tempel van God.

Jezus is ons op díe weg voorgegaan. Hij heeft door zijn manier van leven Gods náám gezégd en tot het uiterste toe Gods líefde gedáán, óók toen hij besefte: mijn mensenbestaan, mijn lichaam zal moet worden afgebroken om hélemaal in Gód te verdwijnen, te verdwijnen in de intimiteit van dat grote geheim waarin alle mensen leven, bewegen en zijn. En in hem brandde de hartstocht dat dat ook in en door óns heen het geval zal zijn. Hij verlángt er hartstochtelijk naar dat wij met het oog dáárop zullen samenkomen, ergens in een of ander huis, om het in dát huis-van-steen in te oefenen en elkaar scherp te houden: het huis van God, dat wij we zélf, één voor één en allen gezamenlijk. Kerk: een huis van gebed, een huis waarin mensen tot léven komen en als lévende mensen, heel lichamelijk dus, de naam, de glorie, de heerlijkheid, letterlijk: het gewícht laten zien van Gód: liefde van mens tot mens, van ik naar jou en omgekeerd. Wanneer we in een kerkgebouw zijn, zoals wij nu hier, dan moeten we nooit vergeten, zegt Paulus, ‘dat ons lichaam door God wordt bewoond, huis van God is, en dat dát huis van God een huis van gebed moet zijn waarin Gods naam wordt gezegd en gedaan, als wijn uitgeschonken, en dat er enkel het offer van jezélf moet worden gebracht, het offer van Jezus: ik zal er zijn voor jou.’

Kijken we dan vandaag, met Jezus’ hartstocht voor ogen, naar en vooral ín onszelf, naar wat we bedoelen als we het over ‘de kerk’ hebben. We staren ons meestal blind op de voorhof (!), de buitenkant: het gebouw, de organisatie, wie over wat te zeggen heeft, de sacristie-kant ervan, de kant van geld en goed, van de ge-ijkte woorden en voorgeschreven gebaren, van ‘het is altijd zo geweest en moet dat ook blijven’, de opbrengst van de collecte, wat een huwelijk met of zonder koor kost en of onze eigen parochiekerk wel kan blijven bestaan ook al gaan steeds minder mensen ‘naar de kerk.’ Voorhof, de buitenkant. Jezus zegt: wordt intiem met God, maar maak er geen onderneming van. Kijk verder, dieper, intiemer. Als het om Gód gaat, Gods rijk, Gods domein, dan gaat het om het heilige der heiligen: Gods naam die moet worden gezegd, Gods liefde die moet worden gedaan, van mens tot mens. Gods naam en liefde die vlees en bloed, lichaam, moeten worden, in jou en mij.

Johannes, de Ziener, zag, toen hij de hemel in mocht kijken, dat daar géén tempel was. God zelf is daar de tempel. Waar is de hemel? De hemel is waar God is, en omgekeerd: waar God is, dáár is de hemel, in de hemel, zo ook op aarde. Wij zijn hier op aarde dáárnaar op weg, zoekend naar Gods verborgenheid. We gelóven: God huist dáár waar mensen Hem hun líchaam als zíjn tempel aanbieden. Hoe? Door Gods naam te zeggen en door met het oog daarop te doen wat die naam zegt: ‘ík zal er zijn voor jou.’ Bidden we daarom dat wij, ondanks alle geneuzel en gekrakeel in de voorhof, vérder zullen blijven kijken, tot in het heilige der heiligen, en met heel ons mensenbestaan zullen gaan doen wat God ís: mensenliefde. Amen

André Zegveld


AZ