Ons aller roeping [3e zondag door het jaar: Mt. 4, 12-23]

‘Kom en volg Mij’

Ons aller roeping  [3e zondag door het jaar: Mt. 4, 12-23]

Over roeping gaat het deze zondag. We hoorden over een ontmoeting aan de oever van het meer, twee paar broers, en dan de woorden: ‘Kom, volg mij.’ En onmiddellijk volgen die broers Jezus, om in plaats van vissers van vissen mensenvissers te worden. Ze horen een soevereine stem, ‘volg mij’, dringend en vrijlatend tegelijk, en ze laten meteen alles achter zich. Hoe is dat nu mógelijk, zó’n radicale en prompte reactie? Misschien hierom: ze hadden Jezus’ blijde boodschap gehoord, Jezus’ evangelie: ‘Ga toch anders leven, het rijk der hemelen, God dus, is nabij.’ Die boodschap had hen in het hart geraakt en hun onbestemde verlangens onder woorden gebracht, het verlangen om een antwoord te horen op de vraag ‘waartoe zijn we op aarde, toch niet énkel om vissers van vissen te zijn, maar waartoe dán?’ En toen Jezus zich tot hen persoonlijk richtte en zei: ‘volg mij op mijn weg naar dat rijk’ deden ze dat meteen. Een beeld: als je luistert naar de verlangens die leven in je hart en je hoort Jezus zeggen: ‘God is dichterbij dan je denkt’, dan weet je dat de verlangens van je hart álles te maken hebben met God, en dan is er maar één antwoord mogelijk: alles loslaten om samen met hem de weg naar Gods rijk in te slaan.

‘Het rijk van God, Gods eigen rijkdom is dichterbij dan je denkt.’ Wat is die rijkdom? We moeten heel eenvoudig denken. God is altijd nieuw, elke dag, ‘iedere ochtend’ zegt Jesaja. Iedere dag begint ook jouw leven daarom als nieuw, opnieuw. Dat is een blijde boodschap over een nieuw en onbelast begin, elke dag, ieder moment. Jij, mens, jij kunt altijd nieuw zijn, niets is er oud in je. Jezus zegt het tot die tweemaal twee leerlingen. Hij zegt het tegen óns, jong én oud: er is altijd de kans om opnieuw te beginnen met léven, hoe verbruikt je leven ook is, hoe grauw en versleten het ook is, hoe oud of afgeleefd je je ook voelt. Lééf: God is dichterbij dan je denkt. Leef, en maak je los van waar je in versleten of vastgelopen bent: voorgeschreven vroomheid, religieuze autoriteiten die je leven willen vastleggen in regels, constituties en statuten. Lééf, zélf, God is dichterbij dan je denkt, Hij is in jou verborgen, want diep in jezelf ben je de bewoner van een nog verscholen koninkrijk, een rijk van vrijheid, van de vrijheid van de kinderen Gods. Je bént niet wie of wat je van afkomst bent, je bént je beroep niet, je sociale status niet. Je bént geen vissier van vissen, geen (en vult u zelf maar aan) accountant, onderwijzeres, zuster of pastoor. Je kunt er wel je hele leven mee doorgaan, met vissen, onderwijzen of boekhouden, maar je bént het niet. Je bént een door God zelf geraakte, kind van God. ‘Kom,’ zegt Jezus, ‘kijk naar mij, volg mij.’

Roeping, niet primair tot het religieuze leven, tot het priesterschap of het huwelijk. Roeping zonder meer, menselijke roeping, roeping om méns te zijn. Een dier heeft geen roeping, het is gewoon wat het is, het hoeft niet te groeien om zichzelf te worden. Een mens wel. Daarom is een mens méns. Hij hoort in zichzelf een stem die zegt dat hij niet moet blijven wat hij is, maar méér moet worden, méér mens, méér zichzelf. Het is de stem van zijn geweten, de stem van God die hoorbaar wordt in Jezus Christus. ‘Je bént er,’ zei de grote theoloog Newman ooit, ‘niet voor niets, niemand. Niemand is geboren, om alleen maar ’s avonds weer naar bed te gaan en ’s ochtends weer op te staan, om te eten en te drinken, om te lachen en zich te vermaken, om te zondigen als hij dat wil en tot inkeer te komen als hij van de zonde genoeg heeft, om te werken en te sterven. God heeft een doel voor ieder van ons. Je bént er om iets te zijn wat niemand anders kan zijn.’ Wat is die roeping dan? Je bént er om God in jóu mens te laten worden op de manier zoals alleen jíj dat met jóuw leven kan.

Een mens leeft normaliter voor zichzelf, bekommerd om zichzelf, zoals ook de dieren dat doen. Zo begint ieder mensenleven: zoeken naar warmte, naar voedsel, slaap, veiligheid. Een kind beleeft zichzelf als het middelpunt van heel de wereld, en mensen kunnen daar levenslang mee doorgaan. Maar dan klinkt de stem van Jezus, in het geweten: keer je om, ga ánders leven, volg míj, word mens zoals ik dat ben, word vrij, vrij van jezelf, alleen zó word je wie je écht bent, beeld van God, niet op jezelf maar op anderen gericht, op het gelúk en het léven van anderen, en alleen zó kun je óók die ánderen bevrijden. Dan vang je geen vissen, maar vis je naar mensen. Volg mij naar het rijk van God, de wereld waarin liefde het laatste woord heeft.’

Alle dagen klinkt die stem, alle dagen, elke morgen word je geroepen om je om te keren en niet langer met je rug naar het leven te staan of naar de grond te kijken. Het gebeurt ‘in het grensgebied van Zebulon en Naftali,’ in Donkerland dus, daar waar je het ’t minst zou verwachten. Het gebeurt onverwacht, als ‘een dief in de nacht,’ in het duister waar wij God niet zouden hebben vermoed. Niet dáár of dáár, niet in Rome of Utrecht, maar altijd hier. God is dichterbij dan je denkt.

Mogen ook wij dan hier die stem verstaan, die stem die ons oproept, íeder van ons, hoe oud of jong ook, om, in het spoor van Jezus, op een goddelijke manier méns te worden. Amen.

André Zegveld